Staatssecretaris Snel van het Ministerie van Financiën maakte begin september 2019 bekend dat het systeem voor vermogensbelasting vanaf 2022 fors verandert. Het plan moet overigens nog wel door beide Kamers. Kortweg: spaarders betalen in het nieuwe systeem veel minder, omdat er wordt uitgegaan van de werkelijke actuele – nu heel lage – spaarrente. Maar de meeste beleggers gaan veel meer betalen.

Wat gaat er veranderen?

Waar je in het oude systeem nog een vaste vrijstelling had van € 30.360 per persoon op de vermogensrendementsheffing, is dit vanaf 2022 niet meer het geval. Vanaf dan betaal je met een vermogen tot € 30.846,- nog altijd niets. Kom je boven dit bedrag dan geldt een vrijstelling van € 400,- aan – fictief – rendement. Anders gezegd: iedereen die minder dan € 400,- rendement maakt op zijn vermogen in box 3, hoeft geen vermogensbelasting meer te betalen, ongeacht of dat rendement tot stand is gekomen via beleggen, sparen of anderszins. Als je meer dan € 400,- rendement hebt, word je geacht per categorie vermogen een bepaald rendement behaald te hebben. Daarover word je belast met 33% (nu 30%).

Wat betekent dat voor spaarders?

Voor spaarders stelt Financiën elk jaar opnieuw de gemiddelde spaarrente vast. Nu is dat 0,09%. Uitgaande van die vrijstelling van € 400,- rendement betekent dit dat spaarders bij de huidige spaarrente € 444.444,- belastingvrij mogen sparen (€ 400,- gedeeld door 0,09%).
Wat betekent het voor beleggers?

In het huidige stelsel wordt over de eerste € 72.797,- gerekend met een laag fictief rendement van 1,80%, en tot ongeveer € 1 miljoen met 4,22% rendement. Kleine beleggers zullen in het nieuwe systeem niet slechter af zijn. Want ook voor hen geldt, net als voor spaarders, de vrijstelling van ruim
€ 30.000,- aan belegd vermogen.

Maar als je daarboven komt, worden je beleggingen in het nieuwe systeem ook apart genomen, en met 33% belast over een fictief rendement van 5,33%. De consequentie van het nieuwe stelsel is dat de belasting op beleggingen fors omhooggaat, vooral voor mensen die nu in de 1,80% schijf zitten. Mensen met een belegd vermogen tussen de – van vermogensbelasting vrijgestelde – ruim € 30.000,- en grofweg € 1 miljoen krijgen het meest te verstouwen. Om een voorbeeld te geven, beleggers die € 100.000,- hebben belegd, gaan in het nieuwe stelsel maar liefst 300% meer vermogensrendementsheffing betalen dan nu.

Zullen zulke forse fiscale verschillen tussen sparen en beleggen geen trucs uitlokken?

Dat ligt inderdaad wel voor de hand. Een belegger zou vlak voor het jaar eindigt zijn beleggingen kunnen verkopen en vervolgens het geld op een spaarrekening zetten. Daarvoor geldt nu immers dankzij de huidige lage spaarrente die enorme vrijstelling van € 444.444,- die voor beleggingen niet geldt. Na de jaarwisseling zou dan de omgekeerde weg kunnen worden bewandeld: spaargeld weer opnemen en vervolgens weer instappen bij de aandelenbeurs. De fiscus bedot. Dit potentiële lek is nog niet gedicht, maar de fiscus zoekt uiteraard wel naar manieren om dit overhevelen van vermogen fiscaal oninteressant te maken.